Zomernacht

Als slaven bewandelden zij een ontwrichte zomernacht. Twee paar schoenen sloften droog onder het depressieve grauwlicht van de straatlampen door. Het schijnsel draaide en keerde, keer op keer, bij iedere grijze paal en weerkaatste in de leegheid van hun ogen. Schaduwen werden verjaagd maar kropen terug, keer op keer, als bedelaars nog steeds in het bezit van de illusie van overlevingsdrang. Het waren silhouetten van de getergde ziel, reflecties van het verbitterd hart, klauwend naar twee wezens op weg naar niets. Steeds zetten zij twee door, jagend achter een gewaand glansrijke horizon van een nieuwe dag. Maar de beklemmende duisternis week nog lang niet voor de dageraad. En langerekte obscure tentakels van de melancholie grepen hen beet, verscheurden wat ze ooit waren en draaiden hen volledig binnenstebuiten. Zwevend in die retrospectieve duisternis praatten ze. Zwegen ze. Liepen ze. Talmden ze. Ze dachten. Gedachten onbegrensd en tijd op eindeloos. Ze vonden elkaar, en uiteindelijk zichzelf. Vredig werden ze herboren, en ruw werden ze weerom de wereld in gesmeten. Even later marcheren twee paar schoenen stevig door, onder een glorieuze ochtendzon. Levenslustige ogen staren naar de hoopvolle horizon.
Als koningen bewandelen zij de wereld.