Een donkere avond in het exacte midden van de maand november.

Koud.
Koud en nat. Vooral nat.
Donker ook.
Vooral donker.

Miserabel? Op een bepaalde manier is er toch plezier te vinden alleen vertoevend in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter. Zolang het niet te stoffig is. En wanordelijk. Dat is des duivels. Zeggen ze dat niet? Nee? Ik zeg het nu. Want stof, dat plakt en hangt, zweeft en heeft de algemene tendens zich overal – maar dan ook overal – te nestelen. Niet dat ik ze het recht ontgun om zich ergens thuis te voelen, want, eerlijk gezegd, wie ben ik nu om daarover te oordelen? Maar sinds ergens in een duister punt in de geschiedenis is er een bepaald gedachtegoed ontstaan dat zegt dat elk mens recht heeft op persoonlijk eigendom, absurd genoeg, en bijgevolg is deze donkere grijze koude kamer van, ruw geschat, zo’n vijftien vierkante meter mijn eigendom en bepaal ik de exacte hoeveelheid van het aantal stofdeeltjes in deze kamer. En gezien stof een zekere sfeer van stoffige wanordelijkheid geeft, ben ik er niet zo voor. Dat gezegd zijnde, zou ik terugkomen op het feit dat er hier toch wel iets te beleven valt. Maar dat doe ik niet. Ik doe alle lichten uit, en starend in het donker denk ik aan een wereld zonder eigendomsrecht. De hoofdvraag die ik mij stel is of die wereld in verband kan gebracht worden met het eerste woord van deze alinea, deze alinea die tevens de enige alinea gaat zijn. Zou de wereld 'beter' of 'slechter' zijn zonder dat iedereen zich een stuk van de symbolische taart kan opeisen? Want het is absurd dat elk mens zich een stukje van de wereld zou kunnen toe-eigenen. Waarom stelt de hele wereld zich de vraag wat van wie is? Waarom is iets van iemand? Wij hechten waarde aan voorwerpen, waar andere mensen ook waarde aan hechten. En degene die het meeste waarde voor een voorwerp over heeft, bezit een voorwerp. Als ik een brood verbrand dat van mij is, bezit ik die assen? Kan ik vervolgens iemand aanklagen die mijn waardevolle assen steelt? Als ik grond koop, bezit ik die grond tot de kern van de aarde? Ik kan hierover doorgaan. Maar dat doe ik niet. Ik kan teruggaan naar waar ik begon, namelijk het plezier van eenzaam in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter zitten – uiteraard zonder stof – en vervolgens zou ik kunnen uitwijden over de activiteiten die iemand in zo’n situatie bezighoudt, zoals een boek lezen in het Engels, dat netjes geschreven is en handelt over een pasgetrouwd stel in Engeland op hun huwelijksreis, maar nog nooit seksuele handelingen met elkaar bedreven hebben, waardoor er op een bepaald mentaal niveau een bepaalde connectie tussen de twee, die allebei nog maagd zijn, ontbreekt, en bijgevolg er bij allebei een groot gevoel van onbehagen heerst dat zich doorheen het boek manifesteert of zoals psychedelische muziek op het luidste volume door deze kleine grijze koude kamer laten weerklinken, zeg maar een gedonder van melodie, iets in de trend van Pink Floyd, het licht dimmen, het raam openlaten staan zodat het gebrul van de gierende wind zich doorheen de melodie verweeft en onderwijl reflecteren over dingen zoals stofophopingen en eigendomsrecht.
Over die activiteiten zou ik kunnen doorgaan.
Maar dat doe ik niet.