Gij waart mijn passagier
En ik was uw vliegtuig
Samen hebben wij gevlogen en gezwoven
-gezweefd. Door de lucht, in de wolken.
Wij twee.
Gij waart zo’n braaf vrouwke
Vliegangst en nog nooit gevlogen,
Maar uw vleugels waren weid gespreid
Gij waart klaar voor de reis.
Ik was een oud gebruikt vreselijk wrak
Dat afgeleefd door de lucht bewoog,
Bij controle lieten ze me toch door
Ik voldeed niet aan de eis.
Maar rood lonkend licht tergt mijn ogen
Het doemgezoem dendert in mijn oren
Een knellend en brandend gevoel
Beklemmend benauwend
-Brandstoftekort-
Gij, gij hield u vast aan mij
(er waren nog parachutes,
maar dat wou gij niet)
maar dat wou gij niet)
En mijn brandstof lekte... ... weg
Maar gij bleef bij mij
En mijn vleugel brak
Maar gij hield u sterk
En ik vloog in brand
Maar gij gaf nooit op
Gij had altijd uw gordel aan.
En ik begon te tollen
En tollen
Tollen
En wij draaiden samen
Daalden samen
Draaien, dalen, suizen
piepen, kraken.
piepen, kraken.
Branden.
Als enige kwam gij
Uit dat wrak gewandeld.
Moedig en onversaagd
Liet gij mij achter en terecht
Gij kon het navertellen
Aan National Geographic.
En ik? Ik bleef liggen.
Ik werd afgevoerd, gerepareerd
Gerestaureerd, gecorrigeerd.
Ooit zou ik weer vliegen.
Zo mogelijk
Nog korter.