Hij staat alleen op het perron. Helemaal alleen. Alleen tussen honderd onbekende gezichten. Of meer. Of minder. De trein nadert denderend waardoor iedereen met milde sporen van paniek in het gezicht zijn bagage bijeenraapt, en hij geraakt zijn tel kwijt. Er ontstaat een wirwar van sigaretten die haastig op de grond worden gesmeten en al dan niet knarsend worden gedoofd met de voetpunt. De trein geeft een ijselijke gil en komt nét iets verder dan waar iedereen staat te wachten tot stilstand. Hij beeldt zich in hoe de conducteur zit te gniffelen in zijn kleine cabine. Als een opgejaagde kudde haasten de treingangers zich er achter aan en proppen zich door de deuren zodra ze openspringen. Een man vloekt hard wanneer iemand tegen hem oploopt waardoor hij zijn bagage kwijtraakt en terug moet oprapen. Iedereen moet zo snel mogelijk ergens zijn om zo snel mogelijk weer weg te zijn. Een paar laatste reizigers stommelen de trappen op naar het perron, en rennen alsof het een kwestie van leven en dood is. Maar de treindeuren sluiten zich onverbiddelijk, terwijl het gevaarte begint te brommen en probeert te ontsnappen uit het station. Terwijl de machine knarsend voorbij glijdt staren emotieloze gezichten achter glas op een overvolle reis naar nergens hem aan. De gezichten rijden weg, maar morgen zijn ze hier weer. De dag daarna ook. En het volgende jaar. Hij zou ook hier zijn. Maar hij onderneemt nooit een poging om op te stappen. Hij kijkt gewoon, terwijl hij zich afvraagt wie er zich aan de juiste kant van de treinramen bevindt, hij of zij.