drup
drup
Hier zit ik dan, in mijn kille grijze cel. Regen tikt zachtjes op de ruit, glijdt naar beneden en vormt kleine meertjes om in te verdrinken. De nacht wenkt een vaag rokerig bestaan in een donker rumoerig cafeetje om de hoek. Maar het nachtgedruis kan het geruis in mijn hoofd maar zo lang overstemmen tot de overstroming. Elk druppeltje is een kaakslag die mij vloert en neerlegt, starend naar een vloer die dolfijnen en kakkerlakken projecteert op mijn netvlies, en ik weet niet wie ik ben. Tergend wil ik omhoog kruipen maar mijn handen zijn niet meer van mij. Tot die van jou… Jouw handen zijn warm en je legt hen zachtjes neer op mijn naakte koude bezwete rug.
Maar ik kan me niet omdraaien.
drup
drup
drup.