Wat woedt en wenkt er dezer dagen doorheen ’t stad,
lippen, dronken van hebzucht, vleiend in het feestgewoel,
een grote portie spijt en een paar momenten liefgehad.
ongetemd roofdier, vraag ik, welk hoger magisch gevoel
brengt u uw zwoegende zweetklier, of uw pijnlijke kaakspier?
’t schudt het hoofd en deed ofschoon ‘t geen antwoord bezat.
kijk eens, ’t weet niet wat ’t wil, het ocharme ding, hopeloos,
in de warreboel; ’t had niet door dat er ergens iemand was,
een verliefde idioot, die nog maalde om idyllische trouwfoto’s.