Gij


Ge zijt de rare vormpjes die ik zie als ik te lang in het licht kijk
Ge zijt de gelukzalige pijn die ik voel als ik mij uitrek
Gij zijt het gezoem in mijn oren
  Gij zijt alles wat ik kan horen

Gij zijt de wind door de haartjes op mijn been
 De hand door mijn vettige haren
die een tinteling tot beneden teweeg brengt
 mijn alles en niks
 mijn wijn met meer wijn aangelengd

Gij zijt de de climax van mijn favoriete nummer
mijn pianonoot, mijn onaangeroerde gitaar
 Ik wil dat gij mij bespeelt, gebruikt en besteelt
mijn lusteloos leven spant als uw strakste snaar

Gij zijt mijn hardnekkige hoest
 Gij zijt mijn verstopte neus en mijn gepijnigd hoofd
 Gij, gij zijt het vuil onder mijn nagels
mijn reden voor opname in het gesticht

maar ook de glimlach op mijn glimlachend gezicht.

Gij zijt de maniak in mijn brein
  Gij zijt mijn duistere gedachten en goddeloze dagen
 Duizend schreeuwende stemmen in mijn hoofd en alleen in uw buurt

kan ik ze verdragen

Gij zijt de kruimels van lekkers dat ik niet wil verspillen
Gij zijt de kleur in mijn ogen, mijn iris, mijn pupil, mijn ooglid
…
ik kan niet ademen tenzij gij in mijn lucht zit

ik wil u inhaleren,
domesticeren
opeten en verteren,
injecteren in mijn bloedbaan,
baan u een weg door mijn lijf
en blijf.

soms


Soms
af en toe
word ik overvallen door een gevoel
een gewaarwording, zeg maar
van absolute nutteloosheid
de koude in de straatlampen
en dofheid in onverschillige ogen
Seconden lijken dode dagen
 gehuld in geschreeuwd gefluister
 tot een brei van onvervuld verlangen
 onze geest versmacht en
 vertraagd verkleinen wij
 en kwijnen wij
 en zullen wij
 doelloosheid
omarmen
soms
af en toe

leef
Nu.

Foto

De tijd staat stil.
Ik wou dat ik mijn
twee handen kon
uitstrekken en dit
moment vangen
grijpen en gevangen
houden als een
vlinder die net
ontwaakt uit zijn
winterslaap
en
dit onvoor-
stelbaar klein
ogenblik in het
relaas van mijn
doelloos bestaan
inkapselen in mijn
hart en gedachten
en eeuwig
herbekijken
en
die ene
betekenisloze
seconde herbeleven
tot alles langzaam
vervaagt en over-
vloeit in een
nietszeggende
zwart-witte
massa
en
die pulp
zou ik dan
zachtjes laten
intrekken in het
zwartst van mijn
ogen
tot ik
zalig
sterf.
De tijd staat stil.

Sterren


Sterrenkijken bij een sterrenloze nacht
Op het dak van jouw wereld
onder een dak van wolken
waren wij gelegen
lagen wij te staren naar lichten
die niet schenen
Koude handen en warme gezichten
Onsterfelijk.

Mijn voeten hingen over de rand
en zweefden boven de ongenadige aarde
en daagden schertsend de afgrond uit
iets te ondernemen
en

uiteindelijk

Hing alles aan een zijden draadje
Vooral de smaak van lichte lippen
vleiend in het donker.
snakkend naar één
avond van goud.

“Troostprijs.”, fluisterde je, achteraan mijn hals.
En mijn ogen
begraven in je schouder
zeiden minder dan woorden
Zeiden niets.
En de atmosfeer
werd net dat beetje meer
Koud.


Papillon


Le premier Papillon du printemps
reste sur une tombe
Il  veut voler et atterrir sur tes cils pour découvrir tes yeux
Il  veut regarder et noyer dans les nombreuses couleurs
qui composent un nouveau début
Mais tu ne vois pas le Papillon
Tes yeux ne voient pas le monde
le monde voit tes yeux
et le premier Papillon du printemps
est restée sur une tombe.

De zoo

Hij staat alleen op het perron. Helemaal alleen. Alleen tussen honderd onbekende gezichten. Of meer. Of minder. De trein nadert denderend waardoor iedereen met milde sporen van paniek in het gezicht zijn bagage bijeenraapt, en hij geraakt zijn tel kwijt. Er ontstaat een wirwar van sigaretten die haastig op de grond worden gesmeten en al dan niet knarsend worden gedoofd met de voetpunt.  De trein geeft een ijselijke gil en komt  nét iets verder dan waar iedereen staat te wachten tot stilstand. Hij beeldt zich in hoe de conducteur zit te gniffelen in zijn kleine cabine.  Als een opgejaagde kudde haasten de treingangers zich er achter aan en proppen zich door de deuren zodra ze openspringen. Een man vloekt hard wanneer iemand tegen hem oploopt waardoor hij zijn bagage kwijtraakt en terug moet oprapen. Iedereen moet zo snel mogelijk ergens zijn om zo snel mogelijk weer weg te zijn.  Een paar laatste reizigers stommelen de trappen op naar het perron,  en rennen alsof het een kwestie van leven en dood is. Maar de treindeuren sluiten zich onverbiddelijk, terwijl het gevaarte begint te brommen en probeert te ontsnappen uit het station. Terwijl de machine knarsend voorbij glijdt staren emotieloze gezichten achter glas op een overvolle reis naar nergens hem aan. De gezichten rijden weg, maar morgen zijn ze hier weer. De dag daarna ook. En het volgende jaar. Hij zou ook hier zijn. Maar hij onderneemt nooit een poging om op te stappen. Hij kijkt gewoon, terwijl hij zich afvraagt wie er zich aan de juiste kant van de treinramen bevindt, hij of zij.

Air Crash Investigation

Gij waart mijn passagier
En ik was uw vliegtuig
Samen hebben wij gevlogen en gezwoven
-gezweefd. Door de lucht, in de wolken.
Wij twee.

Gij waart zo’n braaf vrouwke
Vliegangst en nog nooit gevlogen,
Maar uw vleugels waren weid gespreid
Gij waart klaar voor de reis.

Ik was een oud gebruikt vreselijk wrak
Dat afgeleefd door de lucht bewoog, 
Bij controle lieten ze me toch door
Ik voldeed niet aan de eis.


Maar rood lonkend licht tergt mijn ogen
 Het doemgezoem dendert in mijn oren
     Een knellend en brandend gevoel
          Beklemmend benauwend
              -Brandstoftekort-


Gij, gij hield u vast aan mij
(er waren nog parachutes,
                                 maar dat wou gij niet)
En mijn brandstof lekte... ... weg
Maar gij bleef bij mij
En mijn vleugel brak
Maar gij hield u sterk
En ik vloog in brand
Maar gij gaf nooit op
Gij had altijd uw gordel aan.
En ik begon te tollen
                                En tollen
                                               Tollen
En wij draaiden samen
                     Daalden samen
                          Draaien, dalen, suizen
                                              piepen, kraken.
                                                                Branden.

Als enige kwam gij
Uit dat wrak gewandeld.
Moedig en onversaagd
Liet gij mij achter en terecht
Gij kon het navertellen
Aan National Geographic.

En ik? Ik bleef liggen.
Ik werd afgevoerd, gerepareerd
Gerestaureerd, gecorrigeerd.
Ooit zou ik weer vliegen.
Zo mogelijk
Nog korter.

Perhaps

We could chase our dreams for once; blindly
Follow my lead and we’ll live like never before
We could run and never be more fearlessly free
There is another and better world we can explore
We could spend every single second in blissful ecstacy
instead
We waste time desperately dreaming how things could be.
You and me.

Een donkere avond in het exacte midden van de maand november.

Koud.
Koud en nat. Vooral nat.
Donker ook.
Vooral donker.

Miserabel? Op een bepaalde manier is er toch plezier te vinden alleen vertoevend in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter. Zolang het niet te stoffig is. En wanordelijk. Dat is des duivels. Zeggen ze dat niet? Nee? Ik zeg het nu. Want stof, dat plakt en hangt, zweeft en heeft de algemene tendens zich overal – maar dan ook overal – te nestelen. Niet dat ik ze het recht ontgun om zich ergens thuis te voelen, want, eerlijk gezegd, wie ben ik nu om daarover te oordelen? Maar sinds ergens in een duister punt in de geschiedenis is er een bepaald gedachtegoed ontstaan dat zegt dat elk mens recht heeft op persoonlijk eigendom, absurd genoeg, en bijgevolg is deze donkere grijze koude kamer van, ruw geschat, zo’n vijftien vierkante meter mijn eigendom en bepaal ik de exacte hoeveelheid van het aantal stofdeeltjes in deze kamer. En gezien stof een zekere sfeer van stoffige wanordelijkheid geeft, ben ik er niet zo voor. Dat gezegd zijnde, zou ik terugkomen op het feit dat er hier toch wel iets te beleven valt. Maar dat doe ik niet. Ik doe alle lichten uit, en starend in het donker denk ik aan een wereld zonder eigendomsrecht. De hoofdvraag die ik mij stel is of die wereld in verband kan gebracht worden met het eerste woord van deze alinea, deze alinea die tevens de enige alinea gaat zijn. Zou de wereld 'beter' of 'slechter' zijn zonder dat iedereen zich een stuk van de symbolische taart kan opeisen? Want het is absurd dat elk mens zich een stukje van de wereld zou kunnen toe-eigenen. Waarom stelt de hele wereld zich de vraag wat van wie is? Waarom is iets van iemand? Wij hechten waarde aan voorwerpen, waar andere mensen ook waarde aan hechten. En degene die het meeste waarde voor een voorwerp over heeft, bezit een voorwerp. Als ik een brood verbrand dat van mij is, bezit ik die assen? Kan ik vervolgens iemand aanklagen die mijn waardevolle assen steelt? Als ik grond koop, bezit ik die grond tot de kern van de aarde? Ik kan hierover doorgaan. Maar dat doe ik niet. Ik kan teruggaan naar waar ik begon, namelijk het plezier van eenzaam in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter zitten – uiteraard zonder stof – en vervolgens zou ik kunnen uitwijden over de activiteiten die iemand in zo’n situatie bezighoudt, zoals een boek lezen in het Engels, dat netjes geschreven is en handelt over een pasgetrouwd stel in Engeland op hun huwelijksreis, maar nog nooit seksuele handelingen met elkaar bedreven hebben, waardoor er op een bepaald mentaal niveau een bepaalde connectie tussen de twee, die allebei nog maagd zijn, ontbreekt, en bijgevolg er bij allebei een groot gevoel van onbehagen heerst dat zich doorheen het boek manifesteert of zoals psychedelische muziek op het luidste volume door deze kleine grijze koude kamer laten weerklinken, zeg maar een gedonder van melodie, iets in de trend van Pink Floyd, het licht dimmen, het raam openlaten staan zodat het gebrul van de gierende wind zich doorheen de melodie verweeft en onderwijl reflecteren over dingen zoals stofophopingen en eigendomsrecht.
Over die activiteiten zou ik kunnen doorgaan.
Maar dat doe ik niet.

Nieuw

Volle gangen gevuld met dat gezoem
dat door mijn gehoor en  
meer ruist en gnauwt en gruist en ik
verbloem

en

dwalend door dat dichte woud
dat door baksteen en
gevaarlijk wijze woorden werd
opgebouwd

vond ik

het door donker treffend feit
dat zwevend gelach en
gestrooide zwervende zinnen -
eenzaamheid