Foto

De tijd staat stil.
Ik wou dat ik mijn
twee handen kon
uitstrekken en dit
moment vangen
grijpen en gevangen
houden als een
vlinder die net
ontwaakt uit zijn
winterslaap
en
dit onvoor-
stelbaar klein
ogenblik in het
relaas van mijn
doelloos bestaan
inkapselen in mijn
hart en gedachten
en eeuwig
herbekijken
en
die ene
betekenisloze
seconde herbeleven
tot alles langzaam
vervaagt en over-
vloeit in een
nietszeggende
zwart-witte
massa
en
die pulp
zou ik dan
zachtjes laten
intrekken in het
zwartst van mijn
ogen
tot ik
zalig
sterf.
De tijd staat stil.

Sterren


Sterrenkijken bij een sterrenloze nacht
Op het dak van jouw wereld
onder een dak van wolken
waren wij gelegen
lagen wij te staren naar lichten
die niet schenen
Koude handen en warme gezichten
Onsterfelijk.

Mijn voeten hingen over de rand
en zweefden boven de ongenadige aarde
en daagden schertsend de afgrond uit
iets te ondernemen
en

uiteindelijk

Hing alles aan een zijden draadje
Vooral de smaak van lichte lippen
vleiend in het donker.
snakkend naar één
avond van goud.

“Troostprijs.”, fluisterde je, achteraan mijn hals.
En mijn ogen
begraven in je schouder
zeiden minder dan woorden
Zeiden niets.
En de atmosfeer
werd net dat beetje meer
Koud.


Papillon


Le premier Papillon du printemps
reste sur une tombe
Il  veut voler et atterrir sur tes cils pour découvrir tes yeux
Il  veut regarder et noyer dans les nombreuses couleurs
qui composent un nouveau début
Mais tu ne vois pas le Papillon
Tes yeux ne voient pas le monde
le monde voit tes yeux
et le premier Papillon du printemps
est restée sur une tombe.

De zoo

Hij staat alleen op het perron. Helemaal alleen. Alleen tussen honderd onbekende gezichten. Of meer. Of minder. De trein nadert denderend waardoor iedereen met milde sporen van paniek in het gezicht zijn bagage bijeenraapt, en hij geraakt zijn tel kwijt. Er ontstaat een wirwar van sigaretten die haastig op de grond worden gesmeten en al dan niet knarsend worden gedoofd met de voetpunt.  De trein geeft een ijselijke gil en komt  nét iets verder dan waar iedereen staat te wachten tot stilstand. Hij beeldt zich in hoe de conducteur zit te gniffelen in zijn kleine cabine.  Als een opgejaagde kudde haasten de treingangers zich er achter aan en proppen zich door de deuren zodra ze openspringen. Een man vloekt hard wanneer iemand tegen hem oploopt waardoor hij zijn bagage kwijtraakt en terug moet oprapen. Iedereen moet zo snel mogelijk ergens zijn om zo snel mogelijk weer weg te zijn.  Een paar laatste reizigers stommelen de trappen op naar het perron,  en rennen alsof het een kwestie van leven en dood is. Maar de treindeuren sluiten zich onverbiddelijk, terwijl het gevaarte begint te brommen en probeert te ontsnappen uit het station. Terwijl de machine knarsend voorbij glijdt staren emotieloze gezichten achter glas op een overvolle reis naar nergens hem aan. De gezichten rijden weg, maar morgen zijn ze hier weer. De dag daarna ook. En het volgende jaar. Hij zou ook hier zijn. Maar hij onderneemt nooit een poging om op te stappen. Hij kijkt gewoon, terwijl hij zich afvraagt wie er zich aan de juiste kant van de treinramen bevindt, hij of zij.

Air Crash Investigation

Gij waart mijn passagier
En ik was uw vliegtuig
Samen hebben wij gevlogen en gezwoven
-gezweefd. Door de lucht, in de wolken.
Wij twee.

Gij waart zo’n braaf vrouwke
Vliegangst en nog nooit gevlogen,
Maar uw vleugels waren weid gespreid
Gij waart klaar voor de reis.

Ik was een oud gebruikt vreselijk wrak
Dat afgeleefd door de lucht bewoog, 
Bij controle lieten ze me toch door
Ik voldeed niet aan de eis.


Maar rood lonkend licht tergt mijn ogen
 Het doemgezoem dendert in mijn oren
     Een knellend en brandend gevoel
          Beklemmend benauwend
              -Brandstoftekort-


Gij, gij hield u vast aan mij
(er waren nog parachutes,
                                 maar dat wou gij niet)
En mijn brandstof lekte... ... weg
Maar gij bleef bij mij
En mijn vleugel brak
Maar gij hield u sterk
En ik vloog in brand
Maar gij gaf nooit op
Gij had altijd uw gordel aan.
En ik begon te tollen
                                En tollen
                                               Tollen
En wij draaiden samen
                     Daalden samen
                          Draaien, dalen, suizen
                                              piepen, kraken.
                                                                Branden.

Als enige kwam gij
Uit dat wrak gewandeld.
Moedig en onversaagd
Liet gij mij achter en terecht
Gij kon het navertellen
Aan National Geographic.

En ik? Ik bleef liggen.
Ik werd afgevoerd, gerepareerd
Gerestaureerd, gecorrigeerd.
Ooit zou ik weer vliegen.
Zo mogelijk
Nog korter.

Perhaps

We could chase our dreams for once; blindly
Follow my lead and we’ll live like never before
We could run and never be more fearlessly free
There is another and better world we can explore
We could spend every single second in blissful ecstacy
instead
We waste time desperately dreaming how things could be.
You and me.

Een donkere avond in het exacte midden van de maand november.

Koud.
Koud en nat. Vooral nat.
Donker ook.
Vooral donker.

Miserabel? Op een bepaalde manier is er toch plezier te vinden alleen vertoevend in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter. Zolang het niet te stoffig is. En wanordelijk. Dat is des duivels. Zeggen ze dat niet? Nee? Ik zeg het nu. Want stof, dat plakt en hangt, zweeft en heeft de algemene tendens zich overal – maar dan ook overal – te nestelen. Niet dat ik ze het recht ontgun om zich ergens thuis te voelen, want, eerlijk gezegd, wie ben ik nu om daarover te oordelen? Maar sinds ergens in een duister punt in de geschiedenis is er een bepaald gedachtegoed ontstaan dat zegt dat elk mens recht heeft op persoonlijk eigendom, absurd genoeg, en bijgevolg is deze donkere grijze koude kamer van, ruw geschat, zo’n vijftien vierkante meter mijn eigendom en bepaal ik de exacte hoeveelheid van het aantal stofdeeltjes in deze kamer. En gezien stof een zekere sfeer van stoffige wanordelijkheid geeft, ben ik er niet zo voor. Dat gezegd zijnde, zou ik terugkomen op het feit dat er hier toch wel iets te beleven valt. Maar dat doe ik niet. Ik doe alle lichten uit, en starend in het donker denk ik aan een wereld zonder eigendomsrecht. De hoofdvraag die ik mij stel is of die wereld in verband kan gebracht worden met het eerste woord van deze alinea, deze alinea die tevens de enige alinea gaat zijn. Zou de wereld 'beter' of 'slechter' zijn zonder dat iedereen zich een stuk van de symbolische taart kan opeisen? Want het is absurd dat elk mens zich een stukje van de wereld zou kunnen toe-eigenen. Waarom stelt de hele wereld zich de vraag wat van wie is? Waarom is iets van iemand? Wij hechten waarde aan voorwerpen, waar andere mensen ook waarde aan hechten. En degene die het meeste waarde voor een voorwerp over heeft, bezit een voorwerp. Als ik een brood verbrand dat van mij is, bezit ik die assen? Kan ik vervolgens iemand aanklagen die mijn waardevolle assen steelt? Als ik grond koop, bezit ik die grond tot de kern van de aarde? Ik kan hierover doorgaan. Maar dat doe ik niet. Ik kan teruggaan naar waar ik begon, namelijk het plezier van eenzaam in een kamer van zo’n, ruw geschat, vijftien vierkante meter zitten – uiteraard zonder stof – en vervolgens zou ik kunnen uitwijden over de activiteiten die iemand in zo’n situatie bezighoudt, zoals een boek lezen in het Engels, dat netjes geschreven is en handelt over een pasgetrouwd stel in Engeland op hun huwelijksreis, maar nog nooit seksuele handelingen met elkaar bedreven hebben, waardoor er op een bepaald mentaal niveau een bepaalde connectie tussen de twee, die allebei nog maagd zijn, ontbreekt, en bijgevolg er bij allebei een groot gevoel van onbehagen heerst dat zich doorheen het boek manifesteert of zoals psychedelische muziek op het luidste volume door deze kleine grijze koude kamer laten weerklinken, zeg maar een gedonder van melodie, iets in de trend van Pink Floyd, het licht dimmen, het raam openlaten staan zodat het gebrul van de gierende wind zich doorheen de melodie verweeft en onderwijl reflecteren over dingen zoals stofophopingen en eigendomsrecht.
Over die activiteiten zou ik kunnen doorgaan.
Maar dat doe ik niet.

Nieuw

Volle gangen gevuld met dat gezoem
dat door mijn gehoor en  
meer ruist en gnauwt en gruist en ik
verbloem

en

dwalend door dat dichte woud
dat door baksteen en
gevaarlijk wijze woorden werd
opgebouwd

vond ik

het door donker treffend feit
dat zwevend gelach en
gestrooide zwervende zinnen -
eenzaamheid

Zomernacht

Als slaven bewandelden zij een ontwrichte zomernacht. Twee paar schoenen sloften droog onder het depressieve grauwlicht van de straatlampen door. Het schijnsel draaide en keerde, keer op keer, bij iedere grijze paal en weerkaatste in de leegheid van hun ogen. Schaduwen werden verjaagd maar kropen terug, keer op keer, als bedelaars nog steeds in het bezit van de illusie van overlevingsdrang. Het waren silhouetten van de getergde ziel, reflecties van het verbitterd hart, klauwend naar twee wezens op weg naar niets. Steeds zetten zij twee door, jagend achter een gewaand glansrijke horizon van een nieuwe dag. Maar de beklemmende duisternis week nog lang niet voor de dageraad. En langerekte obscure tentakels van de melancholie grepen hen beet, verscheurden wat ze ooit waren en draaiden hen volledig binnenstebuiten. Zwevend in die retrospectieve duisternis praatten ze. Zwegen ze. Liepen ze. Talmden ze. Ze dachten. Gedachten onbegrensd en tijd op eindeloos. Ze vonden elkaar, en uiteindelijk zichzelf. Vredig werden ze herboren, en ruw werden ze weerom de wereld in gesmeten. Even later marcheren twee paar schoenen stevig door, onder een glorieuze ochtendzon. Levenslustige ogen staren naar de hoopvolle horizon.
Als koningen bewandelen zij de wereld.

Klok.

tik tak tijd
  tikt tergend
     traag
    tot de
         Toekomst
nadert nooit
  dichter

doch schijnt
   altijd
  lichter

dan deze donkere dagen
  doordrenkt door de
zee van zorgeloos zweet en
  zomers   zielen   -  leed

       zuurstof        tekort


stik.

Peace of mind

A serene valley enclosed delicately by soft glooming hills 
A little breeze strolls through the gold coloured fields
swaying the high grass endlessly
A soothing hymn sung by distant birds hiding in treetops
echoing across the meadow quietly
everything is at peace.
 
leave me, 
   don’t force me 
bury me, 
   don’t fight me 
forget me
   
don’t hate me

This is where I belong
I stretch out my hands and feel the breeze
I focus my hearing and taste the sound
I’m at peace.

...

Yesterday I loved you for the person you once were.

Today I feel nothing but regret.

Tomorrow I will stop living in the past.

Hartstocht.


Kom
kom met mij mee voor eeuwig
We blijven niet aan de oever staan
we springen in de rivier
woest wilde bochten banend
door een dor en kleurloos bestaan
We slingeren mee in de stroom
we happen blazen, verzuipen vergaan
geen rotsblok waagt te storen
onze roeping, onze onrustige reis
verdrinken in de ander
versmelten van bewustzijn
We wisten van lang tevoren
hoe afgrijselijk zielzuiverend koud
het wrede woedende water zou zijn
maar we klampen ons volhardend vast
We zijn elkaars innige levenslijn

 Spring
 spring met mij mee naar beneden
 We gooien ons van de donderende waterval
we storten spoedig overijld omlaag
 er is geen terugkeer mogelijk
  jij en ik zijn nu de wereld
 en al de rest vlekkerig vaag
 het einde nadert onoverkomelijk
 van de vliegende dromende dans
    de dramatische dans der wanhopigen
  hou me vast, wees mijn al
  sluit mijn ogen
    blijf bij mij

tot
de val.

Trauma

aanzet tot ademtocht
raspend inhaleren
krakend gekras
         praten valt zwaar

gestrekte vingers
klem in het web
nergens nog hetzelfde
         spel spelend

geopende ogen
  Oogt rood nog zo?
nooit meer ooit.
         hopeloos beroofd

voor eeuwig gekneed
 vervormd       geschonden
          verminkt                   verpletterd.

verkracht.

de dag van gisteren
blijft altijd
een deel
   van
         de toekomst van morgen.

Observer

I'm just a silent observer
Sitting at the side of the road
Staring as a hundred cars fly by
racing to their early end
Waiting until it's over.

I'm just a lonely spectator
Lying underneath a sea of trees
Watching a thousand dancing shadows
fighting each for their existence
Wondering endlessly why for.

I'm just slowly fading out
Hiding in the back of my head
Looking quietly at your perfection
screaming to be completed
Realizing without a doubt,

I can't race, fight nor scream
But then again I would gladly die
To have you in my every dream.